Op zoek naar kennis van VvE Zaken?

VvE Rechtspraak - Recreatieparken

Boete voor permanente bewoning afgewezen geen machtiging van de vergadering

Bijzondere kenmerken

Op tegenspraak

Samenvatting

In deze VvE Rechtspraak staat het verbod op permanente bewoning centraal. Een eigenaar laat haar recreatiewoning permanent bewonen en het bestuur van de VvE is een procedure gestart om dit te beëindigen. Om hier kracht bij te zetten heeft het bestuur boetes opgelegd. Echter de door de VvE gevorderde boetes i.v.m. verbod permantente bewoning recreatiewoning afgewezen. De boetes zijn zonder machtinging van de vergadering opgelegd en komen daarmee niet overeen met wat er in de splitsingsaktestaat vermeld. Het besluit is samen met de bepalingen in het huishoudelijk reglement nietig wegens strijd met splitsingsakte (2:14 en 5:129 BW). Aanvullend aan het opleggen van de boete heeft e VvE de rechter ook gevraagd om een einde te maken aan de permanente bewoning. De rechter geeft het bevel tot ontruiming.

Vonnis van 22 juli 2020 (bij vervroeging) in de zaak van

de vereniging, VERENIGING VAN EIGENAARS BUITENPLAATS DE RIJD, gevestigd te Nieuwe Niedorp, eiseres, advocaat mr. P.J. de Groen te Sassenheim,

tegen

1[gedaagde 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat mr. O.H. Minjon te Hoorn Nh.

Partijen zullen hierna de VvE en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • – de dagvaarding van 31 januari 2020, met producties;
  • – de conclusie van antwoord, met producties;
  • – het tussenvonnis van 8 april 2020 waarin een comparitie van partijen is bepaald;
  • – de brief van 3 juni 2020 van mr. De Groen met producties 14 tot en met 26;
  • – de brief van 5 juni 2020 van mr. Minjon met productie 5;
  • – de mondelinge behandeling (in verband met de Covid-19 maatregelen via een Skypeverbinding) op 9 juni 2020;
  • – de spreekaantekeningen van mr. De Groen;
  • – de spreekaantekeningen van mr. Minjon.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. Buitenplaats De Rijd is een recreatiepark dat bestaat uit een in appartementsrechten gesplitst perceel grond, met daarop 84 recreatiebungalows en een jachthaven. [gedaagden] is eigenaar van één van de bungalows, nr. [nummer] .

2.2. In de splitsingsakte van 2 juli 1975 is een reglement als bedoeld in artikel 875e letter d van het (oude) Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing verklaard en opgenomen.

De splitsingsakte en het reglement zullen hierna gezamenlijk “de splitsingsakte” worden genoemd.

2.3. Bij de splitsingsakte is de VvE opgericht. De eigenaren van de percelen met daarop de recreatiebungalows zijn lid van de VvE (hierna: de leden).

2.4. In de splitsingsakte is voor zover hier van belang bepaald:

Artikel 9

1. De bungalows zijn uitsluitend bestemd voor niet permanente bewoning (…). Afwijkend gebruik van de bestemming is niet toegestaan.

(…)

Artikel 22

  1. De gebruiker die zonder de in artikel 20 bedoelde verklaringen getekend te hebben of zonder de in artikel 21 bedoelde verplichting te zijn nagekomen dan wel zonder de ingevolge artikel 20 vereiste toestemming een bungalow betrokken heeft, kan door de administrateur hieruit verwijderd worden en hem kan het medegebruik van de gemeenschappelijke gedeelten en/of voorzieningen worden ontzegd.
  2. Indien iemand zonder enige titel of zonder voldoening van de bijdragen als bedoeld in lid 5 van artikel 20 een bungalow betrokken heeft, kan hij hieruit door de administrateur worden verwijderd als onherroepelijk hiertoe door de eigenaars gemachtigd. De administrateur gaat niet tot ontruiming over dan nadat hij de betrokkene tot ontruiming heeft aangemaand. (…)

K. Overtredingen

Artikel 27

  1. Bij overtreding van een der bepalingen van de wet, van het Reglement of van het huishoudelijk Reglement, hetzij door een eigenaar, hetzij door een gebruiker, zal de administrateur de betrokkene een schriftelijke waarschuwing doen toekomen per aangetekende brief en hem wijzen op de overtreding.
  2. Indien de betrokkene geen gevolg geeft aan de waarschuwing, kan de vergadering hem een boete opleggen van een duizend gulden voor elke overtreding, onverminderd de gehoudenheid van de overtreder tot schadevergoeding, zo daartoe termen aanwezig zijn, en onverminderd de andere maatregelen, welke de vergadering kan nemen krachtens de wet of het reglement. De vergadering is bevoegd het bedrag van de boete regelmatig te herzien met inachtneming van de waardedaling van het geld. (…)

L. Huishoudelijk Reglement.

Artikel 28

1. Behoudens het bepaalde in de voorafgaande artikelen kan het gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten worden geregeerd door een huishoudelijk reglement, dat alsdan zal worden vastgesteld en dat kan worden aangevuld of gewijzigd door de vergadering met een meerderheid van tenminste drie/vierde van het aantal uitgebrachte stemmen, waarin een aantal eigenaars tegenwoordig of vertegenwoordigd is dat tenminste twee/derde van het totaal aantal stemmen kan uitbrengen.

(…)

III Het bestuur van de vereniging

Artikel 40

1. Het bestuur van de vergadering berust bij de administrateur, die benoemd wordt door de vergadering. (…)

3. De administrateur vertegenwoordigt de vereniging in en buiten rechten (…)

4. Hij behoeft de machtiging van de vergadering voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen en het aangaan van dadingen, alsmede voor het aangaan van rechtshandelingen en het geven van kwijtingen, een belang van een bedrag van een duizend gulden te boven gaande. (…)”

2.5. De algemene ledenvergadering (hierna: de vergadering) heeft een huishoudelijk reglement zoals bedoeld in artikel 28 lid 1 van de splitsingsakte vastgesteld. Dit huishoudelijk reglement is door de vergadering gewijzigd op 5 november 2011, 4 november 2017, 21 november 2018 en 23 november 2019. In de versie van 23 november 2019 is voor zover hier relevant bepaald:

11 Verhuur c.q. in gebruik geven van opstallen aan derden

Iedere eigenaar mag zijn bungalow verhuren of anderszins aan derden in gebruik geven met dien verstande dat:

(…)

E – Verhuur en ingebruikgeving van een bungalow anders dan uitsluitend voor recreatief gebruik is niet toegestaan. (…)

G – De eigenaar van een bungalow is verplicht alvorens zijn bungalow aan derden te verhuren c.q. in gebruik te geven voor een periode langer dan vier (4) weken het bestuur schriftelijk om toestemming hiervoor te vragen (middels een speciaal beschikbaar gesteld formulier). Het verzoek aan het bestuur moet in ieder geval mede bevatten de persoonsgegevens van de huurder/gebruikers, inclusief kopie van geldige legitimatiebewijzen van die personen. (…).

H – Indien een eigenaar één of meer van de in dit artikel genoemde verplichtingen niet volledig nakomt verbeurt hij per overtreding een boete van € 500,00 per overtreding alsmede een boete van € 100,00 per dag dat die overtreding voortduurt. Het bestuur heeft de bevoegdheid maar niet de verplichting, om de eigenaar van wie het bestuur meent dat deze in overtreding is per aangetekende brief een ingebrekestelling te zenden.”

2.6. Per e-mail van 16 augustus 2017 heeft het bestuur van de VvE aan de leden geschreven:

“Als bijlage treft u aan een brief die wij van Hollands Kroon hebben ontvangen. (…)

Aan de VVE is gevraagd om toe te zien dat de Rijd inderdaad als recreatie park wordt gebruikt en er geen permanente bewoning plaats vindt.

Het bestuur heeft besloten de huidige situatie te bevriezen tenzij er aanleiding is van wangedrag van de bewoner en toe te zien dat er geen nieuwe gevallen zich zullen voordoen.

De door het bestuur gedoogde situatie is niet overdraagbaar op een eventuele nieuwe bewoner.”

2.7. Bij brief van 7 mei 2019 heeft de administrateur van de VvE aan [gedaagden] geschreven:

“Al diverse keren, laatstelijk op 10 juli 2018 is u meegedeeld dat permanente bewoning/verhuur van uw bungalow niet is toegestaan. In deze brief is de datum van 1 mei 2019 gesteld waarop deze bewoning/verhuur moet zijn beëindigd. U heeft dus ruimschoots de tijd gehad hieraan te voldoen. (…)

Het bestuur heeft geconstateerd dat (…) uw bungalow nog steeds permanent is bewoond/verhuurd anders dan door uzelf.

Ik sommeer u bij deze de bewoning/verhuring onmiddellijk te beëindigen.

Ik geef u tot uiterlijk 23 mei de tijd om dit te doen.

Indien u geen gehoor geeft zal ik de ledenvergadering voorstellen u een boete op te leggen, welke kan oplopen tot € 1.350,– per dag dat de overtreding voortduurt, ingaand 24 mei 2019. (…)”

2.8. Per e-mail van 8 mei 2019 heeft [gedaagden] aan de VvE geschreven:

“In verschillende brieven vanuit de VVE wordt gesteld dat wij [nummer] verhuren aan derden cq permanent bewonen.

Sinds juli 2015 zijn wij eigenaar van [nummer] en hebben het uitsluitend voor eigen gebruik.

De informatie die het bestuur heeft over permanente bewoning is bij ons niet bekend, het bewijs hiervoor ontbreekt.

Hierbij willen wij tevens mededelen dat [nummer] sinds 08-02-2019 in de verkoop staat bij makelaar [naam 1] te [plaats] , er wordt aan een oplossing gewerkt. (…)”

2.9. De administrateur van de VvE heeft op 15 mei 2019 per e-mail aan [gedaagden] geschreven:

“Door het bestuur is geconstateerd dat er in uw bungalow permanent wordt gewoond en wel door uw zoon. Dit ontkennen heeft geen zin.

Permanente bewoning, zelfs door uzelf, is verboden in art. 9 van de Akte van Splitsing.

(…) Indien u niet van plan bent hier een einde aan te maken, rest ons niets anders dan de ALV voor te stellen u een boete op te leggen. (…)”

2.10. Per e-mail van 26 mei 2019 heeft [gedaagden] aan het bestuur van de VvE geschreven:

“Graag een bevestiging van de toezegging (…) om dispensatie van het permanent wonen besluit om nog tot 23-8-2019 (zonder boetes) gebruik te kunnen maken van huisje nr [nummer] . Daarna zal het niet meer permanent bewoond worden.”

2.11. De zoon van [gedaagden] heeft de bungalow omstreeks augustus 2019 verlaten. Medio september 2019 heeft [gedaagden] zijn bungalow verhuurd aan de heer [naam 2] voor permanente bewoning.

2.12. Bij brief van 22 oktober 2019 aan [gedaagden] heeft de advocaat van de VvE, [gedaagden] – samengevat – gesommeerd om het niet-toegestane gebruik van de bungalow onmiddellijk te beëindigen en zich verder aan de regels te houden. Voorts is aanspraak gemaakt op een boete.

2.13. Bij brief van 18 december 2019 heeft de advocaat van de VvE onder meer aan [gedaagden] geschreven:

“Met u w e-mail van 26 mei 2019 aan het bestuur heeft u verzocht om dispensatie van het “permanent wonen besluit” en wel tot 23 augustus 2019. U gaf aan dat uw bungalow (…) tot die datum nog bewoond zou zijn en daarna niet meer permanent zou worden bewoond. Het bestuur heeft u (…) bevestigd dat dit akkoord was en dat verder uitstel niet is toegestaan.

Vervolgens heeft u op uiterst summiere wijze aangegeven, met een vel papier gedateerd 27 september 2019 en een kopie van het rijbewijs van een zekere heer [naam 2] , dat u voornemens was die heer [naam 2] het gebruik van uw bungalow te geven. Namens de VvE is u bericht dat de gebruiksperiode dan derhalve op 25 oktober 2019 zou moeten eindigen. Zou de heer [naam 2] langer blijven dan zou dat een overtreding zijn van het reglement behorende bij de splitsingsakte alsmede van het huishoudelijk reglement. Uit uw reactie d.d. 6 oktober 2019 (…) heeft cliënte afgeleid dat de heer [naam 2] daadwerkelijk uiterlijk op 25 oktober 2019 zou vertrekken. De heer [naam 2] blijkt thans echter nog steeds in uw bungalow te verblijven en dat verblijf is derhalve vanaf 25 oktober 2019 in strijd met de regels (…)”

2.14. Bij brief van 18 maart 2020 zijn de leden uitgenodigd voor een vergadering op 11 april 2020. Agendapunt 6 van de hierbij toegezonden agenda betrof de machtiging van de VvE aan het bestuur om rechtsvorderingen in te stellen tegen onder meer [gedaagden] Op 11 april 2020 is – in verband met de door de overheid genomen “coronamaatregelen”, waaronder het verbod van de overheid om in vergadering samen te komen – alleen het bestuur bijeen gekomen. Vooraf hebben de leden door middel van stembiljetten gestemd over agendapunt 6. Van de uitgebrachte stemmen waren 61 stemmen vóór en 4 tegen de machtiging.

2.15. Ten tijde van de mondelinge behandeling woonde de heer [naam 2] nog in de bungalow van [gedaagden]

3 De vordering en het verweer

3.1. De VvE vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagden] zal veroordelen tot betaling van € 17.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding, en tevens tot betaling van € 750,00 ex btw, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding, althans [gedaagden] zal veroordelen tot betaling van een boete ad € 100,00 per dag voor iedere dag vanaf 23 november 2019, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat de heer [naam 2] bungalow [nummer] op De Rijd niet heeft ontruimd en definitief verlaten, althans voor iedere dag vanaf 23 november 2019, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat [gedaagden] bungalow nummer [nummer] permanent laat bewonen;

II. [gedaagden] zal bevelen te bewerkstellingen dat de heer [naam 2] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis bungalow nummer [nummer] ontruimt en ontruimd houdt, althans [gedaagden] zal bevelen zich vanaf even dagen na betekening van dit vonnis volledig en loyaal te onthouden van permanente en/of niet-recreatief doen bewonen van genoemde bungalow, een en/of ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat hij nalaat ten volle aan het door de rechtbank te geven bevel te voldoen, met dien verstande dat die dwangsommen worde gemaximeerd tot € 75.000,00;

III. althans, zodanige beslissing zal geven als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

IV. [gedaagden] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2. De VvE legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden] zijn bungalow in strijd met de splitsingsakte en het huishoudelijk reglement gebruikt voor permanente bewoning. Daarnaast heeft [gedaagden] niet voldaan aan zijn verplichting tot het tijdig verstrekken van persoonsgegevens van huurders aan het bestuur van de VvE. Ondanks herhaalde sommatie houdt [gedaagden] zich niet aan de met het bestuur van de VvE gemaakte afspraken betreffende het staken van de permanente bewoning. [gedaagden] is daarom gehouden tot betaling van boetes.

3.3. [gedaagden] voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Procesbevoegdheid bestuur; ontvankelijkheid

4.1. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] is dat het door of namens de vergadering instellen van een rechtsvordering op grond van artikel 40 lid 4 van de splitsingsakte de uitdrukkelijke machtiging van de vergadering behoeft. Nu niet is gebleken van een dergelijk besluit – er heeft geen vergadering plaatsgevonden – dient de VvE volgens [gedaagden] niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De VvE heeft hiertegen ingebracht dat het bestuur door de vergadering bij besluit van 11 april 2020 is gemachtigd tot het voeren van deze procedure. Gezien de omstandigheden was er op dat moment geen andere mogelijkheid om een vergadering bijeen te roepen. De tijdelijke wet Covid-19 was nog niet in werking getreden en de wijze waarop de vergadering is gehouden wijkt hiervan niet op belangrijke punten af.

4.2. De rechtbank overweegt dat de administrateur van de VvE op grond van artikel 40 lid 4 van de splitsingsakte de machtiging van de vergadering behoeft voor het instellen van rechtsvorderingen zoals de onderhavige. Ter discussie staat de rechtsgeldigheid van de door het bestuur verkregen machtiging. De wijze waarop de vergadering zich heeft uitgesproken, door middel van stembiljetten van de leden, doet naar het oordeel van de rechtbank voldoende recht aan de situatie op 11 april 2020. Voorafgaand aan de vergadering was blijkens de agenda van 18 maart 2020 en de daarbij meegestuurde “Toelichting bij punt 6 ALV 11/4/2020” voldoende duidelijk dat werd voorgesteld om het bestuur te machtigen tot het instellen van rechtsvorderingen waaronder de onderhavige. [gedaagden] is in die toelichting vermeld. Daarbij komt dat uit de notulen van een op 21 september 2019 gehouden vergadering, die zijn goedgekeurd in de vergadering van 23 november 2019, duidelijk blijkt dat de meerderheid van de leden het er op dat moment mee eens was dat het bestuur zou optreden tegen permanente bewoning en het in dit verband opleggen van boetes. Het machtigen van het bestuur tot het voeren van deze procedure is zodanig in lijn met hetgeen wél tijdens de op de voorgeschreven wijze gehouden vergaderingen is besproken, dat niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het bestuur door de leden gemachtigd is tot het voeren van deze procedure namens de VvE. De VvE is dan ook ontvankelijk in haar vordering.

Verbod permanente bewoning

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat permanente bewoning van de bungalow van [gedaagden] volgens de geldende regels niet is toegestaan. Evenmin staat ter discussie dat [gedaagden] zijn bungalow desondanks in gebruik heeft gegeven voor permanente bewoning, eerst aan zijn zoon en daarna aan de heer [naam 2] .

4.4. [gedaagden] beroept zich echter op een gedoogregeling. Hij heeft aangevoerd dat op 7 augustus 2017 een streep is getrokken ten aanzien van permanente bewoning. (Alleen) tegen gebruik van bungalows voor permanente bewoning aangevangen na die datum, zou volgens [gedaagden] blijkens de e-mail van 16 augustus 2017 handhavend worden opgetreden. Aangezien het bestuur blijkens die brief had besloten “de huidige situatie te bevriezen” ging [gedaagden] er vanuit dat het gebruik van de bungalow voor permanente bewoning door zijn zoon – die er al ruim voor genoemde datum woonde – zou worden gedoogd. Deze gedoogregeling blijkt tevens uit een ongedateerde brief van bestuurslid [naam 3] aan mevrouw [naam 4] Het bestuur betoogde echter dat de gedoogregeling alleen zag op de eigenaren en niet op permanente bewoning door huurders.

De VvE heeft hiertegen ingebracht dat [gedaagden] uit de e-mail van 16 augustus 2017 – die volgens de VvE was gericht aan mevrouw [naam 4] – niet heeft kunnen afleiden dat zijn zoon een beroep kon doen op het “bevriezen van de huidige situatie”. In die brief is vermeld dat alleen de eigenaren (niet de huurders) die er al vóór 7 augustus 2017 permanent woonden worden gedoogd door de gemeente voor zover zij een persoonlijke gedoogbeschikking hebben, aldus de VvE.

4.5. De rechtbank volgt [gedaagden] in zoverre in zijn standpunt dat in de e-mail van 16 augustus 2017 – gericht aan de leden, niet aan mevrouw [naam 4] – staat dat het bestuur heeft besloten “de huidige situatie te bevriezen”. Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen eigenaren en huurders. Indien de zoon van [gedaagden] de bungalow op dat moment al permanent bewoonde, mocht [gedaagden] er dan ook van uitgaan dat de gedoogregeling voor hem gold. Dat in de ongedateerde brief van bestuurslid [naam 3] aan ene mevrouw [naam 4] is vermeld “De eigenaren, die vóór 7 augustus 2017 op het park permanent al woonden, worden zonder meer gedoogd”, maakt dit niet anders, reeds omdat deze brief aan een derde en niet aan [gedaagden] is gericht.

In de e-mail van 16 augustus 2017 is (wel) vermeld dat de door het bestuur gedoogde situatie niet overdraagbaar is op een eventuele nieuwe bewoner. Toch heeft [gedaagden] zijn bungalow na het vertrek van zijn zoon, aan de heer [naam 2] in gebruik gegeven voor permanente bewoning. Dit in tegenstelling tot zijn toezegging in de e-mail van 26 mei 2019 om dit niet meer te doen. [gedaagden] heeft hiermee gehandeld in strijd met de regels en afspraken.

Boetes

4.6. De VvE vordert op verschillende gronden boetes. Zij vordert in verband met het gebruik van de bungalow voor permanente bewoning een boete van € 100,- per dag op grond van artikel 27 van de splitsingsakte, stellende dat het daarin genoemde bedrag van fl. 1.000,- tijdens de vergadering van 21 september 2019 is aangepast naar € 100,- per dag. Subsidiair stelt de VvE dat [gedaagden] vanaf 23 november 2019 een boete verbeurt van € 500,- per overtreding van het huishoudelijk reglement, alsmede een boete van € 100,- per dag dat de overtreding voortduurt (artikel 11 E jo. 11 F jo. 11 G van het huishoudelijk reglement per 23 november 2019). Meer subsidiair stelt de VvE dat [gedaagden] een boete verbeurt op grond van artikel 9 jo. 27 van de splitsingsakte, zijnde fl. 1.000,- en vanaf 23 november 2019 € 100,- per dag.

Daarnaast vordert de VvE een boete van € 200,- wegens het niet voldoen door [gedaagden] aan de verplichting de persoonsgegevens tijdig tevoren aan het bestuur te verstrekken (artikel 11 F van het huishoudelijk reglement geldend tot 23 november 2019). Subsidiair stelt de VvE dat [gedaagden] op grond van artikel 11 C jo. 11 G een boete verbeurt van

€ 500,- per overtreding, alsmede een boete van € 100,- per dag dat die overtreding voortduurt. De VvE heeft de gevorderde boetes vanwege de duur van de overtreding gematigd tot een totaalbedrag van € 17.000,-. Zij stelt dat het bestuur de gevorderde boetes aan [gedaagden] heeft opgelegd, waartoe het bestuur bij besluit van 21 september 2019 door de vergadering is gemachtigd.

4.7. [gedaagden] betwist dat hij boetes aan de VvE verschuldigd is. Hij voert aan dat de bevoegdheid tot het opleggen van boetes op grond van artikel 27 lid 2 van de splitsingsakte exclusief toekomt aan de vergadering. De vergadering heeft nooit besloten tot het opleggen van boetes aan [gedaagden] Ten aanzien van de vanaf 1 oktober 2020 gevorderde boete van € 100,- per dag, voert [gedaagden] daarnaast aan dat de VvE zelf heeft gesteld dat dit pas kon na een daarop gerichte wijziging van het huishoudelijk reglement in de vergadering van 23 november 2019. Voor zover het huishoudelijk reglement al zou zijn gewijzigd – wat [gedaagden] betwist – is nadere besluitvorming hiertoe nietig, aangezien het voorstel niet is aanvaard met de vereiste meerderheid zoals voorgeschreven in artikel 27 lid 1 van de splitsingsakte. Bovendien is het treffen van een regeling voor het opleggen van een boete volgens [gedaagden] in het huishoudelijk reglement blijkens artikel 28 lid 1 van de splitsingsakte hoe dan ook niet mogelijk.

4.8. De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid tot het opleggen van boetes is geregeld in artikel 27 lid 2 van de splitsingsakte. Daarin is bepaald dat de vergadering de overtreder indien hij geen gevolg geeft aan de in artikel 27 lid 1 genoemde waarschuwing, een boete kan opleggen van duizend gulden. De vergadering is bevoegd het bedrag van de boete regelmatig te herzien. Dat (de administrateur van) de VvE zich hiervan bewust is, blijkt overigens uit de (onder de feiten als laatst geciteerde zin van) brief van 7 mei 2019. Uit de overgelegde stukken blijkt echter dat de vergadering geen boetes aan [gedaagden] heeft opgelegd. Uit de door de VvE in het geding gebrachte notulen van de op 21 september 2019 gehouden vergadering blijkt dat de vergadering wél heeft besloten tot het opleggen van een boete aan andere leden die hun bungalow gebruikten voor permanente bewoning. Desgevraagd heeft de VvE hierover ter zitting verklaard dat op dat moment bekend was dat de zoon van [gedaagden] de woning zou verlaten, en zij niet wist dat de heer [naam 2] deze zou betrekken.

De rechtbank overweegt echter dat ook tijdens de vergadering op 23 november 2019, toen de verhuur aan de heer [naam 2] wel bekend was, door de vergadering niet is besloten tot het opleggen van een boete aan [gedaagden] De advocaat van de VvE heeft hierover ter zitting verklaard dat het opleggen van een boete door de vergadering op 21 september 2019 nog nodig was en daarna, gelet op de wijziging van het huishoudelijk reglement, niet meer. De rechtbank concludeert dat de boetes in elk geval niet conform de splitsingsakte door de vergadering aan [gedaagden] zijn opgelegd.

4.9. Volgens de VvE is het bestuur bij besluit van de vergadering van 21 september 2019 gemachtigd tot het opleggen van boetes aan leden.

[gedaagden] heeft hiertegen ingebracht dat een delegatie of mandatering aan het bestuur tot het opleggen van een boete in de zin van artikel 27 lid 2 van de splitsingsakte, op grond van die akte niet is toegestaan.

4.10. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 2:14 BW een besluit van de vergadering van eigenaars nietig is als het in strijd is met de wet of de statuten. In artikel 5:129 lid 2 BW is bepaald dat voor de toepassing van dit artikel de splitsingsakte wordt gelijkgesteld met de statuten. Dit betekent dat een besluit van de vergadering dat in strijd is met de splitsingsakte, nietig is. Aangezien het opleggen van boetes op grond van artikel 27 lid 2 van de splitsingsakte is voorbehouden aan de vergadering, is het besluit van 21 september 2019 tot het machtigen van het bestuur daartoe nietig.

4.11. De VvE heeft subsidiair gesteld dat het bestuur op grond van het huishoudelijk reglement bevoegd is tot het opleggen van boetes. Onder verwijzing naar wat hiervoor in 4.10 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de desbetreffende regelingen in het huishoudelijk reglement eveneens in strijd zijn met de splitsingsakte. Dit betekent dat ook deze bepalingen in het huishoudelijk reglement nietig zijn.

4.12. Gelet op het voorgaande heeft de VvE niet op rechtsgeldige wijze, boetes aan [gedaagden] opgelegd. Dit geldt zowel ten aanzien van boetes voor permanente bewoning, als die voor het niet tijdig verstrekken van persoonsgegevens van huurders. De gevorderde boetes zullen worden afgewezen.

Ontruiming

4.13. De VvE vordert dat [gedaagden] wordt bevolen te bewerkstellingen dat de heer [naam 2] de bungalow ontruimt en ontruimd houdt, althans dat [gedaagden] zich zal onthouden van permanente en/of niet-recreatieve bewoning van zijn bungalow.

Volgens [gedaagden] is ook de bevoegdheid tot het vorderen van ontruiming exclusief aan de vergadering voorbehouden. De VvE heeft niet voldaan aan artikel 22 van de splitsingsakte, aangezien een door de administrateur afgegeven bevel tot ontruiming, daartoe gemachtigd door de eigenaars, ontbreekt. [gedaagden] heeft daarbij opgemerkt dat de heer [naam 2] de bungalow per 20 juli 2020 zal verlaten.

4.14. De rechtbank overweegt dat artikel 22 van de splitsingsakte ziet op verwijdering door de administrateur wegens het niet voldoen aan de artikelen 20 en 21 van de splitsingsakte. Dit is echter niet (de grondslag van) de vordering. De vordering is niet gegrond op artikel 22, maar op artikel 9 van de splitsingsakte: bewoning in strijd met de bestemming. Zoals hiervoor is besproken, is het bestuur door de vergadering gemachtigd om rechtsvorderingen in te stellen. [gedaagden] overtreden artikel 9 van de splitsingsakte. Hij is in dit verband diverse malen gewaarschuwd conform artikel 27 lid 1 van die akte. Desondanks heeft [gedaagden] de overtreding niet gestaakt. [gedaagden] heeft weliswaar ter zitting verklaard dat [naam 2] de bungalow op 20 juli 2020 zal verlaten, maar gelet op zijn eerdere niet-nagekomen toezeggingen alsmede het feit dat [gedaagden] de bungalow na vertrek van zijn zoon ondanks alle waarschuwingen heeft verhuurd aan [naam 2] , staat deze verklaring niet aan toewijzing van de vordering tot ontruiming in de weg. Aan het subsidiair gevorderde (“althans”) komt de rechtbank daarom niet meer toe.

Omdat zowel [gedaagden] als [naam 2] er al geruime tijd van op de hoogte zijn dat [naam 2] dient te vertrekken, acht de rechtbank een termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis in dit geval redelijk.

Dwangsom

4.15. Gelet op de in 4.14 beschreven situatie ziet de rechtbank aanleiding om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot € 250,- per dag en worden beperkt tot en maximum van € 50.000,-.

Proceskosten

4.16. Aangezien partijen over en weer op punten in het (on)gelijk zijn gesteld, terwijl een groot deel van de vordering ziet op boetes die worden afgewezen, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1. beveelt [gedaagden] te bewerkstelligen dat de heer [naam 2] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis bungalow nummer [nummer] ontruimt en ontruimd houdt, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat hij nalaat aan deze bevelen te voldoen, met dien verstande dat deze dwangsommen worden gemaximeerd tot € 50.000,-,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op

22 juli 2020.

1

1

type: CHL coll: LJS

Bron: Rechtspraak.nl

Over de auteur

Deze artikelen zijn door de redactie van VvE Centraal gepubliceerd.
    Gerelateerde artikelen
    VvE Rechtspraak - Besluitvorming

    Mag een VvE besluiten om de toegangscontrolesysteem te wijzigen?

    VerbouwenSplitsingsakteVvE Rechtspraak - SplitsingsreglementWetgeving & Reglementen

    Drie nieuwe balkons afbreken door ontbreken instemming VvE.

    VvE Rechtspraak - Besluitvorming

    Hoger beroepstermijn besluit VvE

    Gemeenschap & CommunicatieVvE Beheer

    Handhaving binnen de VvE

    Kennis van VvE Zaken, direct in je mailbox!

    Geef een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

    Interessant om te lezen
    VvE Rechtspraak: Duur verhuur kan niet in huishoudelijk reglement van recreatiepark
    Wekelijkse NieuwbriefMeld u aan voor onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte van het laatste nieuws!
    • Uw gegevens worden niet aan derden verstrekt.
    • Afmelden voor de nieuwsbrief is te allen tijde mogelijk.
    Weten hoe het zit met die VvE?Dat kan met onze kennis van VvE Zaken<

    Krijg gratis onze laatste kennis direct als nieuwsbrief in je mailbox.

    Of sluit je aan als lid en krijg toegang tot nog meer kennis om de waarde van je appartement te verhogen.