VvE Rechtspraak - OverigVvE Rechtspraak - Splitsingsreglement

Geeft recht van overpad je het recht om parkeervakken aan te passen?

Uitspraak vonnis RECHTBANK DEN HAAG in de zaak van

[de VVE] TE [plaats 1] , [de Gemeente 1], te [de Gemeente 1] , eiseres, advocaat: mr. J. Groot Koerkamp te Zoetermeer,

tegen

1 [gedaagde sub 1], te [plaats 1], gedaagde, advocaat: mr. F.M.L. Dekkers te Leiden,

en

2 [gedaagde sub 2], te [plaats 2], gedaagde, advocaten: mr. F.C. Leijdesdorff en mr. S. Plouvier te Amsterdam.

Eiseres zal hierna de VvE worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en gezamenlijk [gedaagde sub 1 c.s.] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit

  • de dagvaarding van 3 mei 2018, met producties 1 t/m 13;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde sub 1] van 29 augustus 2018, met producties 1 t/m 11;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde sub 2] van 29 augustus 2018;
  • het tussenvonnis van 26 september 2018, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;
  • het proces-verbaal van de descente en de comparitie van 21 maart 2019, en de daarin genoemde stukken.

1.2. Het proces-verbaal is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Van deze mogelijkheid hebben zij gebruik gemaakt. De reacties van partijen maken onderdeel uit van het procesdossier. De rechtbank zal het proces-verbaal lezen met inachtneming van deze reacties.

1.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. Omstreeks 2012 is een bedrijfsverzamelgebouw met parkeerterrein aan de [Weg] in [plaats 1] gerealiseerd op een perceel dat kadastraal bekend stond als [de Gemeente 2] , [sectie …] nummers 2860 en 1380 (thans: nummer 2873).

2.2. Bij akte van 28 maart 2012 (hierna: de splitsingsakte) is dit bedrijfsverzamelgebouw met parkeerterrein gesplitst in 164 appartementsrechten en is de VvE opgericht. De appartementsrechten omvatten onder meer de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van een bedrijfsruimte of een parkeerplaats op de begane grond.

In de splitsingsakte is onder meer, voor zover relevant, het volgende vermeld (onderstreping toegevoegd door de rechtbank):

“Het registergoed wordt hierbij gesplitst in de volgende appartementsrechten:

(…)

62. Het appartementsrecht, uitmakende het (…) aandeel in de gemeenschap bestaande uit het registergoed en omvattende de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van de parkeerplaats op de begane grond, plaatselijk bekend als [X] (…) appartementsindex 62”hetzelfde geldt voor de appartementsindexen 61, 63 en 64; toevoeging rechtbank)

“Artikel 16

1. De vereniging voert het beheer over (…) de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken.

(…)

Artikel 17

1. Tot de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken worden onder meer gerekend (…)

a. de grond (…)

2. Tot de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken worden niet gerekend: (…)

c. al die zaken die bestemd zijn om uitsluitend te worden gebruikt door de eigenaar of gebruiker van – of uitsluitend dienstbaar zijn aan – één privé gedeelte, voor zover niet anders in het reglement is vermeld (…)

3. De in het tweede lid bedoelde zaken maken deel uit van het desbetreffende privé “ 

gedeelte.

(…)

2.3. Op onderstaand gedeelte van de aan de splitsingsakte gehechte tekening (hierna: de splitsingstekening) is met nummers aangegeven waar de bedrijfsruimtes en parkeerplaatsen zich bevinden. De parkeerplaatsen die in dit geding in geschil zijn, zijn door de rechtbank geel gearceerd.

2.4. Omstreeks 2016 is gestart met het realiseren van een bedrijfspand op naastgelegen percelen, kadastraal bekend [de Gemeente 2] , [sectie …] nummers 2962 en 1349, die in eigendom toebehoorden aan [gedaagde sub 2]. Op onderstaande uitsnede van de kadastrale kaart is te zien hoe deze percelen zijn gelegen ten opzichte van perceel nummer 1380, dat hierna gezamenlijk met nummer 2860 zal worden aangeduid als ‘het perceel van de VvE’.

2.5. Bij de realisering van het bedrijfspand van [gedaagde sub 2] is op enig moment gebleken dat een gedeelte van het bedrijfspand op het perceel van de VvE zou komen te staan en er vanaf de ingang van het bedrijfspand geen toegang tot de openbare weg zou zijn. Op bovenstaande kadastrale kaart zijn de contouren van het bedrijfspand met rode lijnen weergegeven. De ingang van het bedrijfspand bevindt zich ter hoogte van de plek waar het nummer 1349 staat. De openbare weg ( [Weg] ) bevindt zich onderaan de kaart en loopt met een bocht langs het perceel van de VvE en perceel 2962.

2.6. Na overleg tussen [gedaagde sub 2] en de VvE hebben de eigenaars van de appartementsrechten 1 tot en met 164 bij akte van 21 juli 2016 (hierna: de vestigingsakte) ten laste van de percelen met de nummers 2860 en 1380 als het dienende erf en ten behoeve van de percelen met de nummers 2962 en 1349 van [gedaagde sub 2] als het heersende erf de volgende erfdienstbaarheden gevestigd, die door [gedaagde sub 2] zijn aanvaard:

“ERFDIENSTBAARHEID VAN HANDHAVING

De erfdienstbaarheid, inhoudende de verplichting voor de eigenaar van het dienende erf om te dulden, dat door de eigenaar van het heersende erf een gedeelte van het te realiseren bedrijfsgebouw met de daarbij (verder) behorende infrastructurele werken wordt aangelegd, onderhouden en zo nodig vernieuwd of verwijderd op, in of boven het op de aan deze akte te hechten tekening met arcering aangegeven gedeelte van het dienende erf, overeenkomstig de aan partijen bekende situatie- en plattegrondtekeningen.

ERFDIENSTBAARHEID VAN UITWEG

De erfdienstbaarheid van uitweg, inhoudende de verplichting voor de eigenaar van het dienende erf om te dulden, dat door de eigenaar van het heersende erf gebruik wordt gemaakt van de op het dienende erf aangelegde uitweg om te komen van- en te gaan naar de openbare weg.”

2.7. Bij akte van 20 december 2016 (hierna: de leveringsakte) heeft [gedaagde sub 2] het recht van eigendom met betrekking tot de percelen met nummers 2962 en 1349 en het in aanbouw zijnde bedrijfspand aan [gedaagde sub 1] geleverd. De percelen zullen hierna dan ook gezamenlijk ‘het perceel van [gedaagde sub 1]’ worden genoemd. In de leveringsakte is het onder 2.6 vermelde citaat inzake de erfdienstbaarheden opgenomen. Met ingang van 1 maart 2017 is [gedaagde sub 2] het bedrijfspand van [gedaagde sub 1] gaan huren.

2.8. Op enig moment heeft de [heer A] de parkeerplaatsen 62, 63 en 64, die op het perceel van de VvE lagen, laten verwijderen, parkeerplaats 61 laten versmallen en drie nieuwe parkeerplaatsen laten aanleggen tegen de gevel van het pand van [gedaagde sub 1]. Op de onder 2.3 weergegeven splitsingstekening, waarop door de rechtbank gele markeringen zijn aangebracht, is te zien waar parkeerplaatsen 62, 63 en 64 zich bevonden. Op onderstaande kadastrale kaart/luchtfoto is te zien waar de nieuwe parkeerplaatsen zich bevinden, namelijk deels op het perceel van [gedaagde sub 1] in de inham aan de rechterkant van het bedrijfspand:

Op onderstaande foto, die is gemaakt tijdens de descente, zijn de drie nieuwe parkeerplaatsen aan de linkerkant te zien. Aan de rechterkant zijn parkeerplaatsen 56 tot en met 61, waar parkeerplaatsen 62, 63 en 64 naast lagen, (grotendeels) te zien.

2.9. Bij e-mail van 30 maart 2017 heeft de [heer B], die destijds lid was van het bestuur van de VvE, onder meer het volgende geschreven aan de [heer A], bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 1]:

“Gisteren hebben wij een gesprek gevoerd over de parkeerplaatsen.

Hierin hebben wij aangegeven dat we niet akkoord gaan met het verplaatsen van de 3 parkeerplaatsen tegen het gebouw aan. Dit hebben we vanaf het begin dat de tekening op tafel kwam al aangegeven i.v.m. de draairuimte voor “groot” verkeer door de bocht.

Helaas zag ik vandaag dat dit toch is doorgezet.

Nu hebben wij altijd gezegd dat we in goed overleg naar een oplossing willen zoeken. Maar dit is niet zo overlegd en zeker niet goedgekeurd door ons.

Bij deze willen we dat u dus de 3 verplaatste parkeerplaatsen terugbrengt in oorspronkelijke staat (naast de 6 die er nog liggen). (…)

Verder willen we nog even aanhalen dat het recht van overpad inhoud dat u, leveranciers enz… alleen over onze/VVE grond mogen rijden, maar niet mogen stilstaan of parkeren.”

2.10. Partijen hebben vervolgens per e-mail contact gehad over de verplaatste parkeerplaatsen. Daarbij zijn namens de VvE ook voorbeelden gegeven van momenten waarop medewerkers of bezoekers van [gedaagde sub 2] op het perceel van de VvE hebben geparkeerd, stilgestaan, geladen of gelost.

2.11. Bij brief van 17 oktober 2017 heeft mr. Groot Koerkamp [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] namens de VvE gesommeerd om het perceel van de VvE in oude staat terug te brengen en het parkeren, laden en lossen op het perceel van de VvE te beëindigen en beëindigd te houden.

2.12. Omstreeks 12 december 2017 is parkeerplaats 61 hersteld door een strook van 30 centimeter in ongeveer dezelfde steenkleur aan dat parkeervak toe te voegen.

2.13. Bij vergaderbesluit van 22 maart 2018 heeft de ledenvergadering het bestuur van de VvE gemachtigd om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in rechte te betrekken.

3 Het geschil

3.1. De VvE vordert – samengevat – [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

  1. te veroordelen tot het terugbrengen in oude staat van de bestrating van het perceel van de VvE, door terugplaatsing van parkeervakken 62 tot en met 64, zoals weergegeven op de splitsingstekening, althans door deze parkeervakken terug te plaatsen op een wijze dat deze volledig aansluiten op parkeervakken 56 tot en met 61, zoals deze zijn weergegeven op de splitsingstekening, uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hiermee in gebreke blijven;
  2. te verbieden op enigerlei wijze gebruik te laten maken van, waaronder begrepen het laten parkeren op en het laten rijden of gaan over, de op het perceel van de VvE aanwezige parkeervakken, waaronder begrepen de parkeervakken 56 tot en met 64, zoals weergegeven op de splitsingstekening, althans zoals deze parkeervakken feitelijk zijn gesitueerd op het perceel van de VvE, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.000,- per overtreding;
  3. te verbieden op het perceel van de VvE met gemotoriseerde voertuigen te laten parkeren en te laten laden en lossen, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.000,- per overtreding;
  4. te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 1.865,-; en
  5. te veroordelen tot betaling van de proceskosten en de nakosten.

3.2. De VvE legt aan deze vorderingen ten grondslag dat zij de belangen behartigt van de gezamenlijke eigenaars. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] maken inbreuk op het eigendomsrecht van de gezamelijke eigenaars door de bestrating van het perceel van de VvE te wijzigen, althans parkeerplaatsen 62 tot en met 64 te verplaatsen, en door te parkeren, laden en lossen op het perceel van de VvE. Het zonder toestemming van de VvE gebruikmaken van het perceel van de VvE is onrechtmatig. De VvE wenst met deze procedure haar eigendom te revindiceren door een einde te maken aan de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gemaakte inbreuken op haar eigendomsrecht, aldus de VvE.

3.3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1. De rechtbank zal allereerst het meest verstrekkende verweer van [gedaagde sub 1 c.s.] bespreken, namelijk dat de VvE (deels) niet-ontvankelijk is in haar vorderingen.

4.2. [gedaagde sub 1 c.s.] stellen zich op het standpunt dat de VvE niet-ontvankelijk is in haar vordering onder a. Hetzelfde geldt voor de vordering onder b, voor zover de vordering privé parkeerplaatsen betreft. Deze parkeerplaatsen zijn geen gemeenschappelijke zaken, maar privégedeelten die toebehoren aan de appartementseigenaren, aldus [gedaagde sub 1 c.s.] Zo behoren parkeerplaatsen 62, 63 en 64 in eigendom toe aan Vastwel Beheer B.V. (hierna: Vastwel). Het is aan Vastwel om op te treden tegen een vermeende inbreuk op haar eigendomsrecht. De VvE heeft niet de taak op te treden tegen een vermeende inbreuk op het eigendomsrecht van een individuele eigenaar en heeft daar ook geen belang bij. De VvE voert, blijkens artikel 5:126 lid 1 BW, immers het beheer over de gemeenschap, met uitzondering van de gedeelten die bestemd zijn als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Zonder belang komt de VvE geen rechtsvordering toe, aldus nog steeds [gedaagde sub 1 c.s.]

4.3. De rechtbank stelt voorop dat het bij de beslissing van dit geschil voor wat betreft de grond en de daarop gelegen parkeerplaatsen bijna niet mogelijk is om onderscheid te maken tussen gezamenlijke gedeelten en privégedeelten. De leden van de VvE hebben hier zelf kennelijk ook geen onderscheid tussen gemaakt. Blijkens de notulen van de Algemene Leden Vergadering is de vergadering namelijk met algemene stemmen akkoord gegaan met het voorstel om juridische procedures tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te ondernemen “teneinde oneigenlijk gebruik van VvE-grond door [gedaagde sub 2]/[gedaagde sub 1] tegen te gaan” (onderstreping rechtbank). Bezwaren betreffen onder meer “laden/lossen op VvE-terrein” en “verplaatsen van parkeerplaatsen van de VvE en deze zelf in gebruik nemen door [gedaagde sub 2]/[gedaagde sub 1]” (onderstrepingen rechtbank).

4.4. Uit de notulen blijkt naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval dat het tegengaan van volgens de VvE oneigenlijk gebruik door [gedaagde sub 1 c.s.] van de grond rondom het bedrijfsverzamelgebouw en de daarop gelegen parkeerplaatsen een gemeenschappelijk belang van de appartementseigenaars betreft. Eén van de doelen van de VvE is het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de eigenaars, zo blijkt uit artikel 42 lid 3 van de splitsingsakte. Daaruit blijkt ook dat de VvE het beheer van de grond ten doel heeft. Dat volgt ook uit artikel 16 lid 1 in combinatie met artikel 17 lid 1 sub a van de splitsingsakte. Daarin is namelijk bepaald dat de VvE het beheer over de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken voert en dat de grond daartoe wordt gerekend.

4.5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de VvE ontvankelijk is in haar vorderingen, ook de vorderingen onder a en b.

Vorderingen onder 1en 2

4.6. [gedaagde sub 1 c.s.] betwisten dat zij inbreuk op het eigendomsrecht van de VvE en/of Vastwel maken. Zij maken geen gebruik van het perceel van de VvE anders dan door gebruikmaking van de erfdienstbaarheid van uitweg. Door ondertekening van de vestigingsakte heeft de VvE en/of Vastwel afstand gedaan van het recht tot gebruik van parkeerplaatsen 62, 63 en 64, dan wel is er is sprake van rechtsverwerking, aldus [gedaagde sub 1 c.s.], aangezien deze parkeerplaatsen de erfdienstbaarheid van uitweg blokkeren. De erfdienstbaarheid strekt er namelijk mede toe te komen en te gaan vanaf de openbare weg naar perceel 1349, waar de ingang van het bedrijfspand zit. Dit is door de situering van het bedrijfspand uitsluitend mogelijk via de in gebruik zijnde route, die vanaf de openbare weg naar perceel 1349 loopt over de plek waar parkeerplaatsen 62, 63 en 64 lagen. De VvE en de appartementseigenaren kenden de bouwplannen ten tijde van het vestigen van de erfdienstbaarheid van uitweg en wisten dus waar het pand zou komen te liggen. Dat betekent dat zij door in te stemmen met de erfdienstbaarheid afstand hebben gedaan van het gebruik van de betreffende parkeerplaatsen. De erfdienstbaarheid van uitweg is immers illusoir als parkeerplaatsen 62, 63 en 64 van de VvE in ere worden hersteld, aldus nog steeds [gedaagde sub 1 c.s.]

4.7. De rechtbank ziet zich, gelet op het verweer van [gedaagde sub 1 c.s.], voor de vraag gesteld welke inhoud de erfdienstbaarheid van uitweg heeft en op welke wijze die erfdienstbaarheid mag worden uitgeoefend.

4.8. Het eerste lid van artikel 5:37 BW bepaalt dat de inhoud van een erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening ervan worden bepaald door de akte van vestiging. Bij de uitleg van de akte waarin de erfdienstbaarheid is gevestigd komt het aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:BZ2904; HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511; HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:148). Nu [gedaagde sub 1] geen partij was bij de totstandkoming van de vestigingsakte en de daarbij gevestigde erfdienstbaarheid van uitweg, geldt deze maatstaf voor [gedaagde sub 1] onverkort. Deze maatstaf geldt in de onderhavige situatie eveneens voor [gedaagde sub 2]. [gedaagde sub 2] is weliswaar de oorspronkelijke contractspartij bij de vestiging van de erfdienstbaarheid. De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval desondanks voormelde objectieve maatstaf ook voor [gedaagde sub 2] geldt, nu [gedaagde sub 2] de huurder is van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als huurder niet méér of andere rechten kan huren dan [gedaagde sub 1] bezit.

4.9. De rechtbank constateert dat in de vestigingsakte niet is omschreven hoe de uitweg loopt. Aan de vestigingsakte zijn ook geen tekeningen of schetsen gehecht waaruit blijkt hoe de uitweg was voorzien. Dat de uitweg was voorzien zoals [gedaagde sub 1 c.s.] bepleiten, ligt niet in de rede, aangezien in de vestigingsakte de woorden “de op het dienende erf aangelegde uitweg” zijn gebruikt. De op het perceel van de VvE “aangelegde uitweg” kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet de uitweg zijn zoals deze thans feitelijk bij [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] in gebruik is. Deze uitweg is immers pas eind maart 2017 ontstaan, nadat parkeerplaatsen 62, 63 en 64 waren verwijderd. Op 21 juli 2016, het moment waarop de erfdienstbaarheid van uitweg werd gevestigd, lagen parkeerplaatsen 62, 63 en 64 er al en liep de uitweg dus niet over die parkeerplaatsen heen.

4.10. De door [gedaagde sub 1 c.s.] bepleite uitleg ligt ook daarom niet in de rede, omdat die uitleg met zich meebrengt dat de parkeerplaatsen 62, 63 en 64 dienen te vervallen. In de vestigingsakte is echter niet opgenomen dat de parkeerplaatsen 62, 63 en 64 zouden komen te vervallen. Het zou in de rede hebben gelegen om een dergelijke vérgaande consequentie uitdrukkelijk in de vestigingsakte te omschrijven en vast te leggen, hetgeen niet is gebeurd. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet voor de hand dat de appartementseigenaar stilzwijgend en om niet afstand van haar eigendomsrecht ten aanzien van die parkeerplaatsen zou hebben gedaan.

4.11. [gedaagde sub 1 c.s.] hebben nog aangevoerd dat de VvE op het moment van vestigen van de erfdienstbaarheid wist hoe het bedrijfspand er uit zou komen te zien, althans waar dit zou komen te liggen, en waar de deuren zouden komen te zitten. [gedaagde sub 1 c.s.] betogen dat daaruit de bedoeling kan worden afgeleid om de uitweg over de betreffende parkeerplaatsen te laten lopen. De VvE heeft betwist dat zij wist hoe het bedrijfspand er uit zou komen te zien, althans waar dit zou komen te liggen, en waar de deuren zouden komen te zitten. De rechtbank overweegt dat de [heer A] tijdens de comparitie heeft verklaard dat ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid nog niet bekend was waar de toegangsdeuren zouden komen. Of en in hoeverre de VvE wetenschap had van de ligging/situering van het bedrijfspand kan naar het oordeel van de rechtbank echter in het midden blijven, aangezien het hier, zoals hiervoor is toegelicht, gaat om objectieve uitleg van de vestigingsakte.

4.12. De stelling van [gedaagde sub 1 c.s.] dat Vastwel, althans de VvE, afstand zou hebben gedaan van haar eigendomsrecht met betrekking tot parkeerplaatsen 62, 63 en 64 volgt de rechtbank niet. Dat daarvan afstand is gedaan, blijkt nergens uit de (tekst van) de vestigingsakte. Zoals hiervoor al is overwogen, ligt het bovendien niet in de rede dat de Vastwel stilzwijgend en om niet afstand van haar eigendomsrecht ten aanzien van die parkeerplaatsen zou hebben gedaan.

4.13. [gedaagde sub 2] heeft zich nog op het standpunt gesteld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de erfdienstbaarheid van uitweg niet anders kan worden uitgelegd en opgevat dan dat parkeerplaatsen 62, 63 en 64 niet meer in gebruik zouden worden genomen door de VvE, althans Vastwel. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] kunnen immers uitsluitend gebruik van de erfdienstbaarheid van uitweg maken als de betreffende parkeerplaatsen niet in gebruik zijn, aldus [gedaagde sub 2].

4.14. De rechtbank volgt [gedaagde sub 2] niet in haar betoog. Reden daarvoor is dat de [heer A] ter zitting zelf heeft gezegd dat de aanvraag voor de bouwvergunning na de vestiging van de erfdienstbaarheid van uitweg bij de gemeente is ingediend en dat daarbij geen rekening is gehouden met hoe de erfdienstbaarheid van uitweg liep. Dit komt voor rekening en risico van [gedaagde sub 1]. [gedaagde sub 1] heeft er zelf voor gezorgd dat de erfdienstbaarheid zinledig werd wat betreft het kunnen bereiken van perceel nummer 1349. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [gedaagde sub 1] gelegen om het bedrijfspand anders te situeren, zodat wél gebruik kon worden gemaakt van de erfdienstbaarheid van uitweg en dat perceel wél kon worden bereikt.

4.15. [gedaagde sub 1 c.s.] heeft zich wat betreft de drie nieuwe parkeerplaatsen op het standpunt gesteld dat deze, voor zover zij op het perceel van de VvE zijn gerealiseerd, onder de erfdienstbaarheid van handhaving vallen. Ter discussie staat of de tekening waarnaar in de vestigingsakte bij de erfdienstbaarheid van handhaving wordt verwezen destijds aan de vestigingsakte is gehecht. Er is wel een tekening overgelegd, maar deze is niet geparafeerd. In het midden kan blijven of aan de vestigingsakte een tekening was gehecht, en zo ja, of dat de overgelegde tekening is. Hetzelfde geldt voor het antwoord op de vraag of de drie nieuwe parkeerplaatsen volledig binnen het op de tekening met arcering aangegeven gedeelte van het perceel van de VvE vallen, wat [gedaagde sub 1 c.s.] hebben gesteld en de VvE heeft betwist. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de erfdienstbaarheid van handhaving niet op de parkeerplaatsen ziet. Parkeerplaatsen zijn, in tegenstelling tot hetgeen [gedaagde sub 1 c.s.] hebben betoogd, naar het oordeel van de rechtbank geen infrastructurele werken. De VvE hoeft het aanleggen en de aanwezigheid van de parkeerplaatsen op haar perceel dan ook niet te dulden.

4.16. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de vorderingen onder a en b zal toewijzen, met dien verstande dat de rechtbank aanleiding ziet de gevorderde dwangsommen te maximeren op € 25.000,- en de termijn voor het terugbrengen in oude staat van de bestrating van het perceel van de VvE, gelet op de aankomende zomervakantie, te stellen op acht weken.

Vordering onder 3

4.17. [gedaagde sub 1 c.s.] hebben zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat laden en lossen inherent is aan het bedrijfsmatige gebruik van de erfdienstbaarheid van uitweg, althans aan de aard van de bedrijvigheid op het heersende erf (het perceel van [gedaagde sub 1]). De rechtbank volgt [gedaagde sub 1 c.s.] in dit betoog. Kortdurende laad- en losactiviteiten mogen op het perceel van de VvE plaatsvinden, zolang dit op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze geschiedt.

4.18. Het gevorderde onder c zal daarom voor zover deze vordering ziet op het laden en lossen worden afgewezen.

4.19. Wat betreft parkeren is tijdens de comparitie namens [gedaagde sub 1 c.s.] erkend dat dat niet onder de erfdienstbaarheid van uitweg valt. De vordering onder c ligt wat betreft het verbieden op het perceel van de VvE te parkeren dan ook voor toewijzing gereed. Ook hier ziet de rechtbank aanleiding de gevorderde dwangsom te maximeren op € 25.000,-.

Vordering onder 4

4.20. De vordering [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.865,- zal als onweersproken worden toegewezen.

Vordering onder 5

4.21.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van de VvE worden tot op heden begroot op € 3.036,- (€ 1.950,- aan griffierecht en € 1.086,- aan salaris advocaat (2,0 punten x tarief II ad € 543,-)).

4.22.

Voor een aparte veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:BL1116). De rechtbank zal de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

5 De beslissing

De rechtbank

– veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot het terugbrengen in oude staat van de bestrating van het perceel van de VvE, door terugplaatsing van parkeervakken 62 tot en met 64, zoals weergegeven op de splitsingstekening, althans door parkeervakken 62 tot en met 64 zodanig aan te leggen dat deze volledig aansluiten op parkeervakken 56 tot en met 61, zoals deze zijn weergegeven op de splitsingstekening, uiterlijk binnen acht weken na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hiermee in gebreke blijven, met een maximum van € 25.000,-;

– verbiedt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op enigerlei wijze gebruik te laten maken van, waaronder begrepen het laten parkeren op en het laten rijden of gaan over, de op het perceel van de VvE aanwezige parkeervakken, waaronder begrepen de parkeervakken 56 tot en met 64, zoals weergegeven op de splitsingstekening, althans zoals deze parkeervakken feitelijk zijn gesitueerd op het perceel van de VvE, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 25.000,-;

– verbiedt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met gemotoriseerde voertuigen te laten parkeren op het perceel van de VvE, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 25.000,-;

– veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van een bedrag van € 1.865,- aan buitengerechtelijke incassokosten aan de VvE;

– veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de kosten van de procedure, aan de zijde van de VvE tot op heden begroot op een bedrag van € 3.036,-, en op € 157,- aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82,- in geval van betekening.

– verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

– wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A. van Osch en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.

Bron: Rechtspraak.nl

Over de auteur

Deze artikelen zijn door de redactie van VvE Centraal gepubliceerd.
    Gerelateerde artikelen
    VvE Rechtspraak - Overig

    Erfdienstbaarheid en burenruzie

    VvE Rechtspraak - BesluitvormingVvE Rechtspraak - Splitsingsreglement

    Beslag leggen om besluiten terug te draaien

    VvE Rechtspraak - Splitsingsreglement

    Feitelijke situatie of Splitsingsakte, wat telt?

    VvE Rechtspraak - SplitsingsreglementVvE Rechtspraak - Vergadering van Eigenaars

    Vraag of bepaalde ruimtes gemeenschappelijk zijn.

    Het laatste nieuws wekelijks in je mailbox!

    Geef een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

    Interessant om te lezen
    VvE Rechtspraak: Verkrijgen van erfdienstbaarheid door verjaring